‘Lampen skitterje oare kant de mar...’

'Ik wil 't paard zijn'

150115XJE4969-640x427

Fotografie: Hoge Noorden / Jacob van Essen

.
IK WIL 'T PAARD ZIJN!

ELSKE SCHOTANUS

 

Thumbnail

In een lokaal van een leegstaand schoolgebouw in Leeuwarden woont en werkt Lotte Middendorp, vorig jaar afgestudeerd aan Academie Minerva in Groningen. Het eerste dat opvalt, zijn de rietstengels in de hoek van het atelier, die naar haar afkomst verwijzen: het waterland rond Akkrum, waar ze, als ze even genoeg van de stad heeft, nog altijd haar toevlucht vindt. ‘Op de Academie werd veel aandacht besteed aan beroepsvoorbereiding, netwerken bijvoorbeeld is een belangrijk onderwerp,’ zegt ze, ‘maar dat leek mij juist het moeilijkste. Ik ben erg solistisch.’ Dat mag dan zo zijn, in korte tijd heeft ze een indrukwekkend curriculum opgebouwd. Haar eindexamenfilm ‘Spegel yn spegel’ werd door het Fries Museum aangekocht, ze deed twee keer mee aan Kunstmaand Ameland, waar ze in 2014 tevens curator was voor de sectie videokunst. Daarnaast werkt ze met schrijver-dichter Eeltsje Hettinga samen aan een videopoëzieproject waarin beeld, muziek en tekst met elkaar worden verweven.

De titel van een van haar films, ‘It klappen fan ’e dyk’, refereert aan het geluid van paardenhoeven op de straatstenen. Het is ook de titel van het gedicht dat Hettinga bij de beelden schreef. Het paard in de film is echter geen paard, het is Lotte, die op klompen, elk beslagen met twee glanzende hoefijzers, over een klinkerweggetje draaft. De zogenaamde ‘Scherjonklompen’ zijn speciaal op maat voor haar gemaakt. Het was nog een heel gedoe om een smid te vinden die het schoeisel voor een redelijke prijs van ijzers wilde voorzien. Daarmee was ze er nog niet om als paard in haar eigen film te kunnen figureren want er moest nog een zwart fluwelen broek bij. ‘De dingen liggen op mij te wachten. Zo ook deze broek die voor mij klaar lag in de kringloopwinkel.’ Het draven zelf kwam heel precies. De hoefijzers mochten niet dusdanig beschadigd raken dat ze hun glans zouden verliezen. Het gepolijste oppervlak van de ijzers was nodig om in het donker het licht te kunnen vangen. Al met al geen sinecure. Na drie filmsessies in de buurt van het plaatsje Nieuwe Schouw, samen met haar filmcrew – doorgaans haar ouders en haar zus – bleek dat ze niet verder kon. Voor de opnamen gebruikte ze een bolderkar waarop de camera was gemonteerd. De stokken van de kar had ze aan haar schouders bevestigd, op zo’n manier dat de afstand tot de glanzende hoefijzers gelijk zou blijven, maar telkens, als ze thuis kwam, bleken de opnamen hobbelig en niet bruikbaar.

‘In dit geval kon ik het probleem niet met de familie oplossen, ik had een professional nodig.’ Dat was de reden dat ze steadycam-operator Ron Aerts uit Drachten inschakelde. Ron wilde er geen pottenkijkers bij, vandaar dat de opnamen voor ‘It klappen fan ‘e dyk’ midden in de nacht, op een verlaten weggetje in de buurt van hotel Tjaarda in Oranjewoud, werden gemaakt. ‘Het draven van het paard klonk zó echt dat de nachtsuppoost van Hotel Tjaarda polshoogte kwam nemen. Met een zaklantaarn was hij op zoek naar het edele zwarte dier en stuitte op de filmploeg. ‘Dít is het,’ had ze gedacht, ‘dit is wat ik bereiken wil.’

Lotte kwam op het idee voor de film toen ze eens met haar moeder bij het Museum Belvédère in Oranjewoud was geweest. In de auto op weg naar huis dook er plotseling een Fries paard voor hen op. ‘Niet inhalen,’ maande ze haar moeder. De hoefijzers lichtten op in de koplampen en toen wist zij: ‘Ik wil dat paard zijn…’

Een diep verlangen om met de natuur samen te vallen.
‘Op de Academie had ik modeltekenen, digital art en schilderen… Maar toen ik eenmaal aan het medium film had geroken, verbleekte daarbij al het andere: film rekt de verbeelding op. Als ik daarna met andere beeldende vakken bezig was, zag ik altijd eerst de filmische mogelijkheden. ’ De afstudeerfilm ‘Spegel yn spegel’ is gebaseerd op het schilderij Woman seen on the back van Vilhelm Hammershøi dat in het Groninger Museum hing. ‘De figuur op het schilderij, Hammershøi zijn vrouw Ida, kijkt naar een punt op de muur. Ik keek naar haar, vijf minuten, tien minuten en het leek alsof ik met haar in dezelfde ruimte stond. Ik was benieuwd naar wat er verder in de ruimte zou kunnen gebeuren. Het schilderij werd het uitgangspunt voor een film met als thema ‘Get together’, die bedoeld was voor een expositie, georganiseerd door het Groninger Museum en Academie Minerva. Mijn moeder figureerde in de film als Ida en in plaats van een schaal zoals op het schilderij van Hammershøi hield zij een spiegel in haar hand waarin je mij kunt zien.’

‘Ik ben erg aan mijn familie gehecht. Tijdens een van zijn talloze fietstochten door Friesland schreef mijn vader teksten, die hij heeft gebundeld in een zelfgemaakt kunstenaarsboek. Mijn moeder werkt met vilt en maakt ruimtelijk werk. Silke, mijn zusje, doet een audiovisuele opleiding aan het Friesland College. Ze werkt momenteel aan een korte documentaire over ‘It klappen fan ’e dyk’. Zij is het ook die de camera hanteert bij mijn werk. Het voelt vertrouwd om hen bij het filmen te betrekken, ook omdat ik behoorlijk intiem werk maak. Ik heb wel eens overwogen anderen te vragen, maar dan geef ik mij niet zo gemakkelijk bloot.’ Lotte ziet de videocamera als een verlengstuk van haar lichaam. Zo is er ‘Eisprong’, waarin ze heel langzaam een witte knikker tussen haar lippen laat verschijnen die ze uiteindelijk vrijgeeft.

Aan de muur van haar atelier hangt een foto, op posterformaat van een kaal en woest waddenlandschap. Het is een still uit de film ‘De lichamelijkheid van het Wad’. Wie de film heeft gezien, weet dat het om een close-up van een vrouwengezicht gaat, met wimpers die als zeegras of kwelderkruid boven het opgedroogde slik uitsteken. In de film ziet de kijker het slik, hoe het leeft, hoe het ademt en hoe het uiteindelijk een vrouw bart die langzaam haar ogen op slaat. ‘De thematiek van die film is minder gemakkelijk uit te leggen, om naakt in het slik rond te willen rollen… het is een soort oergevoel… maar hoe het precies zit…’

Lotte kijkt naar buiten, zegt dan: ‘Met mijn ouders kwam ik veel bij het Wad. Het is het water dat een zekere lijn en thematiek vormt in dat wat ik maak. Ik werk vanuit een diep verlangen om samen te vallen met de natuur. Ik kan daar níet niets mee hebben. Als kind van ‘It lege midden’ – het laaggelegen meren- en weidegebied rond Akkrum – heb ik mijn jeugd doorgebracht aan de jachthaven. In de herfst en ’s winters was het er rustig en in zichzelf gekeerd, de haven ligt op enige afstand van het dorp. Dat is de plek waar ik de liefde voor het water heb opgedaan. Als dochter van de havenmeester konden wij, Silke en ik, altijd een bootje meenemen.’ Lotte staart voor zich uit, kijkt bedenkelijk. ‘Tegelijkertijd is er een angst voor het duistere van het water. Het is iets dat ik vrees. Toch dwing ik mezelf om me eraan over te geven.’ Zo is er de film ‘It einekroasfamke’ waarin de kunstenaar languit in een sloot ligt, haar gezicht duikt op tussen het eendenkroos, terwijl zij in ‘Driuw’ [drijf] haar hoofd zolang mogelijk onder water houdt.

It Fûnis – It Font
‘Ik heb ‘Driuw’ in zwart-wit gezet. Welke versie vind je mooier?’’ Op tafel ligt de cd Ok The Bridge van Christiaan Kuitwaard, Jan Snijder en Wim de Graaf, soundscapes die de achtergrondmuziek vormen bij de intrigerende beelden van het water dat tegelijk het universum is. ‘Driuw,’ fluistert een stem, terwijl letters door het beeld schuiven. ‘Driuw boppe, yn it liet dat ûnder wetter is.’ [Drijf boven, in het lied dat onder water is.]

Alles klopt in de film die deel uit maakt van het project waar ze samen met Eeltsje Hettinga aan werkt en dat de werktitel It Fûnis – It Font gekregen heeft en een financiële bijdrage van het Letterenfonds kreeg. ‘Ik werk bij de Bruna op het station en Eeltsje kocht er vorig jaar een krant. Er was meteen, intuïtief sprake van chemie. Pas later ontdekte ik wie hij was. Met Henk – kunstenaar Henk Krist die ook een ruimte heeft in het gebouw waar Lotte woont en werkt – had ik het over mijn afstudeerscriptie voor Minerva die maar niet van de grond wilde komen. Henk draaide een telefoonnummer, duwde mij de hoorn in de hand en zei: ‘Hier heb je Eeltsje.’ Zo kwam het dat we intensieve gesprekken over mijn werk hebben gevoerd en dat heeft mij geholpen bij het maken van mijn scriptie.

Eeltsje herkende zijn beeldtaal in mijn films en andersom. Voor mij was het een vorm van thuiskomen en hij, op zijn beurt, liet zich inspireren door mijn werk. In eerste instantie hadden wij geen plannen voor een gezamenlijk project, maar op een bepaald moment gaf hij aan eens iets anders te willen maken dan de zoveelste dichtbundel. Het ging hem om een andere vorm van het ervaren en ondergaan van poëzie. Daar ben ik als een jonge hond, al kwispelend, in mee gegaan.’

‘Er gaat veel tijd in het project zitten, het is een voortdurend vallen en weer opstaan. Het is zoeken naar de goede manier van werken, voor beide. Daarbij is het belangrijk om elkaar bij elkaars medium te betrekken. Zocht ik in het begin het filmmateriaal bij een gedicht van hem, ondertussen reageert hij met zijn werk op het mijne. De teksten worden korter. Het stroomt, over en weer. Ideeën genereren kunnen wij beide en met het idee is de film er bij wijze van spreken ook al. Soms denk ik: ik zou een kleine printer op mijn brein moeten aansluiten. Er gaat tijd overheen om een idee uit te werken. Er zit verstilling en traagheid in, zowel in het idee als in de films die een meer experimenteel karakter krijgen. Het is niet meer zoals in het begin, toen we het idee hadden dat we elk woord van het gedicht moesten visualiseren. Bij de eerste film die ik bij de poëzie van Hettinga maakte, ben ik met Adobe After Effects – zeg maar de Photoshop voor videofilms- aan het stoeien geweest. Maar de digitale vormgeving van letters kwam niet overeen met het soort films dat ik wil maken. Ik heb een haat-liefdeverhouding met de digitaliteit, het moet wel authentiek zijn.’

Op het fornuis staat een pan groentensoep met daarin lettervermicelli, want letters, daar werkt zij in het kader van het poëzieproject ook mee. Er hangt een schoolbord waarop ze met de vormgeving van teksten experimenteert. Ook maakt zij gebruik van stempeltechnieken. Lotte tovert een houten kistje te voorschijn, in de vakjes liggen allerlei kleine letters. De letters vormen samen de woorden van het gedicht dat in ‘Driuw’ te lezen valt. Visdraad is te dik om de dichtregels mee door het water te halen, dan zie je namelijk dat het om visdraad gaat en daarom heeft ze voor de verbinding van de letters ander materiaal gezocht: mensenhaar. En zij, die niet graag een beroep op anderen doet, gebruikte daarvoor haar eigen haar dat ze met superglue de juiste lengte gaf. ‘Monnikkenwerk’.

Dit artikel verscheen eerder in het meertalig cultureel opiniettijdschrif de Moanne, 2 (2015), 9 (maart) s. 6-9.

=============== Friese versie ===============
 

Galerie De Roos van Tudor, Eewal 47-49 in Leeuwarden heeft werk van Lotte Middendorp. ‘Spegel yn spegel’, de film die door het Fries Museum werd aangekocht, en ander werk is te vinden op www.lottemiddendorp.nl. Het is nog niet bekend wanneer het project It Fûnis – It Font in zijn geheel gepresenteerd wordt. Het is de bedoeling eerder, op een passende locatie, een deel van de films te laten zien.

hynderfamke-final