'It doarp sliept de oere fan in âld Frysk deadeboek.'

Letters zetten op de Zwette

We gingen naar De Deelen om riet te snijden, hoog riet, waarin de wind zijn liedjes fluistert, riet om er letters van te maken; we liepen over de paadjes tussen berken en wilgen, peilden ons gezicht in de diepten van de poelen, de zingende petten onder het hoger klimmende licht van april, de lange voormiddag. In de geluiden van de molenschroef hoorden we later het keren van de spaden, het tuffen van blauwe turfschepen over de wolkenlucht, maar dat was toen in moerassig laagseizoen. Ondertussen schrijven libellen hun liedjes tegen de hemel, de dansende lijven. We kwamen naar De Deelen, zongen bai-bai en tsjoewi-tsjoewi en gingen, hongerig naar gras, riet en vlok, de volgende dag terug. (Met dank aan de geest van Po Tsjoe's Illuster)


De lucht was geel als geele chrysanthemen –
weien goudgroen in fonkelende atmosfeeren
van misten – goudgesmolten horizonnen (…)

Herman Gorter
 


Vroege zomermorgen, half vijf, lichte mist over het water en de weilanden, de roeitocht voert naar de brug over de Zwette bij het Weidumer Hout. Lotte wil vanaf dat hogere standpunt de roeischouw filmen waar we de uit riet gesneden letters achter hebben gebonden. Maar de morgenmist waar we onze zinnen op hebben gezet, is rap verdwenen als de zon uit de kimmen opduik. We zullen moeten wachten om recht te doen aan het Chinese decor van mist dat voor de film nodig hebben. Langzaam roeien we terug naar de aanlegsteiger, de plek waar de andere ‘rietwoorden’ – tijd, schaduw en wind – in het weiland hebben neergelegd, maken de letters los van de boot en verbergen die samen met de tijd en de wind onder een paar grote berg hooi verstoppen opdat vandalen of andere barbaren de woorden niet zullen vernielen.


De ijzeren schouw glijdt lang over de Zwette. De ogen van de roeiriemen schuiven knarsend over de ijzeren pennen die op de boorden van de boot zijn vastgelast. Het vergt stuurmanskunst om bij de opgestoken wind zo koers te houden dat de uit riet en bamboe gevlochten letters ‘Tijd’, die we met visdraad achter de boot hebben vastgemaakt, niet blijven hangen in allerlei laag over het water hangende wilgetakken. De tijd is hard, maar hier te kwetbaar.
Vanaf het Weidumerhout komt een vissersbootje aanvaren. Twee mannen in groenen visserspakken kijken verbluft naar de rij letters, vragen in het Leeuwarders:
En wat mut dat betekene?
We trekken de tijd onder de brug door.
Wat sêge je nou?
We zullen de tijd...
Is dat soms keunst of su?
Yn it Liwwadders roepen we terug: Ja, allemaal onnut, maar wel aangenaam, sêch maar, it nut der nutteloosheid.
Hoofdschuddend varen de vissers verder, verdwijnen ergens in de bocht van de Zwette. De tijd zwabbert heen en weer achter de roeiboot.
Lotte staat met haar kamera-apperatuur op de brug bij het Hout, wacht terwijl ik langzaam dichterbij kom roeien. Eigenlijk had ze een verrekijker moeten hebben om te kunnen zien hoe een van de letters achter een net onder water stekende tak haakt. De tijd blijft hangen.
Een vloek knettert over het water, komt bijna boven het grommende motorgeluid uit van de tractor in het weiland achter de bomen.
Klein is het silhouet van Lotte dat tegen de grijze middaglucht afsteekt.
Ik kan schreeuwen wat ik wil, mijn stem blijft buiten haar bereik.
Ik laat de riemen hangen, glibber over het spekgladde hout van de met planken belegde vloer van de boot, buig me op de achterplecht over het water om de visdraden door te knippen, probeer de laatste letter van de tijd te redden, maar besef tegelijkertijd hoe de wind me verder aan lagerwal brengt.
De Tijd ligt klem tussen de boot en de takken van een groep wilgen.
Plotseling moet ik denken aan de column 'Ontbundelen' van Tsead Bruinja afgelopen zomer in de Leeuwarder Courant, waarin hij over ingewikkelde letterproject op de Zwette schreef. ‘Wellicht kijkt Hettinga toch een beetje uit naar de eenvoudige wereld van zijn toetsenbord.’
De tijd die stroom is, vernielt de taal. Een van de uit riet gemaakte letters is gebroken. Met moeite hijs ik de Tijd aan boord, vier letters die ik voorzichtig over de ijzeren boorden leg. (…)

II Aan het werk op de Zwette


 

Aan het werk achter de plaats achter de schuur van de eco-boerderij ‘De Swetteblom’ aan de Zwette, vlakbij het dorpje Bears. Afgelopen lentemaanden zijn we achter in de tuin en soms zelfs in de kamer van mijn huis aan de Gysbert bezig geweest om letters uit riet te maken, riet dat we dankzij Staatsbosbeheer uit het natuurgebied De Deelen mochten halen, maar dat later, toen we, varend op de Zwette, te bros en breekbaar bleek om stand te kunnen houden tegen de krachten van het water. Elke letter van de woorden ‘tijd’, ‘schaduw’ en ‘wind’ moest worden gespalkt. In Baaiem bij Dronrijp tikten we een bos bamboestokken op de kop. Samen een kleine tweehonderd stuks. Zaag, zaag, piep, piep, piep, piep en verder allerlei raspende en schurende geluiden. Elke stok brengen we terug tot een lengte van twee meter. Als we uiteindelijk het hele bos in de auto hebben geladen, is er voor onszelf nauwelijks meer plaats. Langzaam klimmen we bij de terp op. De auto hoest. Ik zing voor de grap: ‘O, hûs, terp en lân! Hoe fiere jimme mei nei tiden griis en âld…’ (O, huis, terp en land! Hoe voeren jullie ons mee naar tijd grijs en oud.) Trallala, een moment later zitten we, elke terpentijd voorbij, op de Haak, de grote, maar vanavond bijna volledig verlaten highway rond Leeuwarden, met ‘Clocks’ van Coldplay op cd, terwijl Lotte na afloop van Martin’s Clocks het liedje een a la-lalalala bamboe inzet.

 

III

De uit riet gemaakte Tijd staat tegen de groene deuren van de schuur, dezelfde tijd die straks achter de roeischouw vastgemaakt moet om, al roeiend, stroomafwaarts, het hele zooitje, ja, de hele godganse Tijd, onder de brug door te halen, de brug bij het Weidumer Hout, maar voordat het zover is, moeten we in eerste instantie nog een lange rij bamboestokken met het breekbare riet vervlechten. 'Tiid dwaan', zegt een Fries gezegde. Letterlijk vertaald: tijd doen. Ofwel, geduld, geduld.

IV

Handen hoog aan de hemel, de tijd, vastgelopen in de takken en een blauw, zo donker dat het lijkt alsof de roeier zonder pardon naar de filistijnen gaat. Het is tijd om een punt achter de bootreis te zetten. Ik verdrink in het schemering van het blauwe, mistige landschap, alsof ik verzeild ben in een of andere Antonioni-film.